De paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is om niet-begrote kosten te dekken. Door de beschikbaarheid van weerstandsvermogen hoeft bij een financiële tegenvaller in de begrotingsuitvoering niet direct tot een bezuiniging te worden overgegaan.
Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:
A. De weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet-begrote kosten te dekken.
B. Alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.
In deze paragraaf zetten we eerst de beschikbare weerstandscapaciteit uiteen en daarna de risico’s en het hiervoor benodigd weerstandsvermogen. Beide onderdelen worden vervolgens tegen elkaar afgezet.
Tot de weerstandscapaciteit worden de posten onvoorzien, reserves, stille reserves en de onbenutte belastingcapaciteit gerekend. In onderstaand overzicht worden de afzonderlijke onderdelen beschreven. Hierbij staat aangegeven of en voor hoeveel deze onderdelen bijdragen aan de beschikbare weerstandscapaciteit.
Onderdeel/Omvang/Duiding | Bedrag |
|---|---|
Onderdeel: Algemene reserve (incidenteel) Omvang: € 73.272 Duiding: Bij de beoordeling van de weerstandscapaciteit is geen rekening gehouden met de voorgestelde resultaatbestemming 2025. De omvang van de reserves moet worden gezien in relatie tot de totale balanspositie: reserves vormen geen vrij besteedbaar ‘potje’, maar zijn onderdeel van het verschil tussen bezittingen en verplichtingen. De algemene reserve is de belangrijkste vrij inzetbare buffer voor het opvangen van financiële tegenvallers. Aanwending van deze reserve vermindert direct de financiële weerbaarheid van de gemeente en vergroot – door de lagere vermogenspositie – de toekomstige schuldquote en financieringsbehoefte. | € 73.272 |
Onderdeel: Bestemmingsreserves (incidenteel) Omvang: € 45.165 | € 0 |
Onderdeel: Stille reserves (incidenteel) Omvang: € 5.200 Duiding: De stille reserves bestaan uit gemeentelijke panden, gronden en overige activa waarvoor bij verkoop mogelijk een boekwinst kan worden gerealiseerd. Omdat deze bezittingen veelal in gebruik zijn voor de uitvoering van gemeentelijke taken en niet op korte termijn beschikbaar of verkoopbaar zijn, worden zij niet tot de beschikbare weerstandscapaciteit gerekend. Daarnaast beschikt de gemeente over aandelen in BNG, Alliander en HVC. De werkelijke waarde van deze deelnemingen ligt hoger dan de nominale waarde die volgens het BBV in de balans is opgenomen. Deze aandelen zijn echter niet vrij verhandelbaar, waardoor de waarde ervan niet kan worden verzilverd voor algemene financiële inzet. Bovendien ontvangt de gemeente jaarlijks dividend op deze aandelen. Verkoop zou daarom leiden tot een structurele daling van inkomsten, wat de financiële positie op lange termijn verzwakt. Om deze redenen worden deze deelnemingen niet meegenomen in de bepaling van de beschikbare weerstandscapaciteit. | € 0 |
Onderdeel: Onbenutte belastingcapaciteit (structureel) | € 0 |
Onderdeel: Post onvoorzien (structureel) Omvang: € 50 Duiding: De post onvoorzien bedraagt in Purmerend € 50.000 en is als wettelijk verplichte begrotingspost opgenomen in de jaarstukken 2025. Omdat deze post in de meerjarenbegroting op een gelijk niveau wordt gehandhaafd, wordt zij aangemerkt als onderdeel van de structurele weerstandscapaciteit. Conform de gemeentelijke systematiek wordt de post onvoorzien in de berekening van de beschikbare weerstandscapaciteit 2,5 keer meegenomen. Hoewel de omvang van de post beperkt is, draagt zij bij aan het opvangen van kleinere, niet‑ramingsbare tegenvallers gedurende het begrotingsjaar. | € 125 |
Beschikbare weerstandscapaciteit per 1 januari 2026 | € 73.397 |
Gelet op de bovenstaande tabel wordt in Purmerend de beschikbare weerstandscapaciteit gelijkgesteld aan de algemene reserve en de post onvoorzien.
Risico’s zijn er in allerlei soorten en maten. Voor welke risico’s we meenemen worden de onderstaande vuistregels gebruikt.
Kortingen op algemene (het gemeentefonds) en specifieke uitkeringen worden ingeschat en verwerkt in de begroting. Het weerstandsvermogen is nadrukkelijk niet bedoeld als buffer hiervoor. De gemeentelijke begroting moet hierop inspelen. Dat geldt ook voor risico's betreffende het onvolledig kunnen declareren van uitgaven op specifieke uitkeringsregelingen. Deze risico's kunnen we vooraf inschatten en in de p&c cyclus verwerken.
Voor gebeurtenissen waarvan het zeker is dat ze zich voor gaan doen en waarvan de omvang ook bekend is, worden voorzieningen ingesteld. Bij het weerstandsvermogen kunnen deze kosten derhalve buiten beschouwing worden gelaten.
Voor rampen en crisissituaties geldt dat er een scala aan beheersmaatregelen is getroffen. Dit betreft enerzijds het rampenplan waarmee aangegeven wordt hoe een (dreigende) ramp of crisis te lijf wordt gegaan en anderzijds is er sprake van een verzekerd risico. Voor zover dit niet het geval is zal worden teruggevallen op de Rijksoverheid. Uiteraard kan er sprake zijn van een financieel nadeel voor de gemeente. De omvang hiervan is niet vooraf in te schatten. Voor zover het in de beïnvloedingssfeer ligt van de gemeente wordt via de weg van vergunningen en periodieke toetsing gezorgd voor het minimaliseren van de risico's. Rampen en crises worden niet meegenomen in de risico’s tenzij die voldoende kwantificeerbaar zijn.
Voor bepaling van de wenselijke omvang van het weerstandsvermogen hebben we de financiële risico's in kaart gebracht. Bij deze risico's hanteren we een ondergrens van € 100.000. Risico's daaronder lichten we hier verder niet toe, omdat het een lange reeks van kleine risico's betreft.
Daadwerkelijk opgetreden risico’s gedurende het jaar maken onderdeel uit van de jaarrekening en/of tussenrapportages. In de begroting houden wij rekening met de reguliere risico's. Veelal kunnen we deze via een verzekering afdekken. Bij deze risico’s geldt dat we kunnen inschatten of het risico zich daadwerkelijk zal manifesteren en de omvang van het risico.
Om de risico’s op te vangen, zijn verschillende maatregelen mogelijk:
Bijstelling van de geldende beleidskaders, hierdoor kunnen we de uitvoeringskosten beperken. Dit kan bijvoorbeeld door de grenzen te verhogen waarboven de gemeente een bijdrage verleent.
Inkomstenverhogende maatregelen nemen wanneer risico’s zich manifesteren op onderdelen met kostendekkende dienstverlening.
Frequent(er) toetsen of het risico zich al voordoet en zo goed mogelijk maatregelen treffen ter beheersing van onzekerheden. Deze maatregel kunnen we inzetten op die onderdelen waarvan de gemeente de uitkomst niet kan sturen, maar waarvan we de uitkomsten wel kunnen volgen. Doel van de maatregel is dan om te voorkomen dat 'ongemerkt' de begroting en de werkelijkheid uiteen groeien en er nadelen optreden.
In de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen is niet afgewogen of alle risico's zich gelijktijdig kunnen en zullen voordoen. De risico's zijn daarom opgeteld. Zodra risico's zich daadwerkelijk voordoen wegen we af of we structurele maatregelen moeten nemen.
In onderstaande tabel staan de actuele risico-onderwerpen en is aangegeven of we voor dit onderwerp rekening houden met benodigd weerstandsvermogen. Als er sprake is van een structureel risico wordt dit vermenigvuldigd met 2,5 om het zo te kunnen afzetten tegen de weerstandscapaciteit (Conform de werkwijze van het Nederlands Adviesbureau voor Risicomanagement (Naris). Ook staat hier welke beheersmaatregel we kunnen inzetten om het risico zoveel mogelijk te verkleinen of uit te schakelen. In de omschrijving is het toegelicht als de huidige inschatting afwijkt van de inschatting in de begroting.
Onderwerp/omschrijving/beheersmaatregel | Bedrag |
|---|---|
Onderwerp: Algemene spoedbuffer (structureel) | € 3.571 |
Onderwerp: Kostenstijgingen als gevolg van schaarste (structureel) | € 1.993 |
Onderwerp: Wmo, Jeugdwet en Participatiewet Omschrijving: Binnen het maatschappelijk domein biedt Purmerend hulp vanuit de Jeugdwet, Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Voor het maatschappelijk domein gelden binnen deze beleidskaders onzekerheden aan zowel de uitgaven- als de inkomstenkant. Het betreffen openeinderegelingen waarbij de uitgaven niet altijd beheersbaar zijn. Binnen Participatie geldt daarnaast dat de uitgaven conjunctuurgevoelig zijn. Tenslotte geldt dat de middelen die het Rijk op lange termijn beschikbaar stelt aan gemeenten voor deze taken ter discussie staan en dat zorgt voor onzekerheden aan de inkomstenkant. Gemeenten moeten uiteraard anticiperen op deze ontwikkelingen, maar op jaarbasis kan er sprake zijn van aanzienlijke financiële effecten vanwege de omvang van de budgetten. Om die reden is een buffer nodig. Deze buffer is als volgt bepaald: 1.Jeugdwet:
Deze ontwikkeling zorgt ervoor dat het budget voor specialistische jeugdhulp gevoelig is voor relatief kleine afwijkingen in volume of zorgzwaarte. Een beperkte procentuele overschrijding kan daardoor direct leiden tot substantiële financiële tegenvallers. Voor de risicobepaling is uitgegaan van het gemiddelde procentuele tekort over 2024 en 2025, afgezet tegen de realisatie van de jaarrekening 2025. Dit resulteert in een geraamd risico van € 14,7 miljoen. Conform de gemeentelijke systematiek wordt als ondergrens 1% van de jaarrekening 2025 gehanteerd (€ 0,4 miljoen). Gezien de structurele trend van toenemende zorgzwaarte en de gerealiseerde tekorten in de afgelopen jaren, wordt het risico vastgesteld op € 14,7 miljoen. Het is nog onduidelijk in hoeverre het nieuwe (minderheids)kabinet de aanbevelingen van de commissie Van Ark zal overnemen. Hoewel rijk en VNG hebben afgesproken dat dit rapport richtinggevend blijft en in 2027 een zwaarwegend advies wordt verwacht, moeten definitieve keuzes nog door het nieuwe kabinet worden gemaakt. Hierdoor blijven de financiële kaders na 2027 onzeker. Daarnaast worden aanvullende beheersmaatregelen voor de jeugdzorg vanaf 2028 voorbereid, waaronder sturing op trajectduur en een mogelijke eigen bijdrage. Deze maatregelen vereisen nog politieke besluitvorming en kunnen substantiële budgettaire gevolgen hebben. De landelijke en regionale krapte aan jeugdzorgprofessionals vormt een blijvend risico. De beperkte personele beschikbaarheid zorgt al meerdere jaren voor hoge werkdruk, oplopende wachttijden en beperkte doorstroom. Dit kan leiden tot capaciteitsdruk bij aanbieders en vertraging in de uitvoering van hulpverleningstrajecten, wat mogelijk resulteert in hogere kosten of noodzaak tot duurdere zorgvormen. De huidige contracten voor (hoog)specialistische jeugdhulp eindigen per 31 december 2026. Om continuïteit van zorg te waarborgen, zijn twee nieuwe aanbestedingen gestart om vanaf 2027 een toereikend en stabiel aanbod te garanderen. Het uitgangspunt is het hanteren van reële en uitvoerbare tarieven, zonder dat deze leiden tot hogere kosten voor gemeenten ten opzichte van de huidige contracten. Deze verplichting sluit aan bij landelijke afspraken over een beheersbaar en doelmatig jeugdzorgstelsel. 2. Wmo:De kostenstijging in de Wmo de afgelopen jaren komt onder andere door het uniforme abonnementstarief. Daarnaast hebben we te maken met dubbele vergrijzing en daardoor een toename van (complexere) ondersteuningsaanvragen. Bovendien zijn de kosten van de zorg gestegen met name door salarisstijgingen (inflatiecorrectie) en een krappe arbeidsmarkt. De inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage in de WMO is nog niet ingevoerd. Zonder wetswijzigingen of compensatie door het Rijk zal dit tot extra niet begrote uitgaven leiden. Deze wet is op dit moment controversieel verklaard. Ook hier houden we als risico het gemiddelde procentuele tekort over 2024 en 2025 ten opzichte van de jaarrekening 2025 aan. Dat leidt dit tot een bedrag van € 0,6 miljoen.Als ondergrens wordt 1% van de jaarrekening 2025 aangehouden (€ 0,3 miljoen). In dit geval wordt € 0,6 miljoen opgenomen. 3. Participatiewet: We zien dat deze kosten van begeleiding van mensen die onder de Participatiewet vallen in de praktijk hoger zijn dan waar het rijk zijn budget op baseert. Als we het risico berekenen op dezelfde manier als Jeugdwet en Wmo, namelijk het gemiddelde procentuele tekort over 2024 en 2025 ten opzichte van de jaarrekening 2025, dan leidt dit tot een lager bedrag dan dat wij als ondergrens hanteren. Als ondergrens wordt 1% van de jaarrekening 2025 aangehouden (€ 72.000). In dit geval wordt € 72.000 opgenomen. Beheersmaatregel: Er worden diverse beheersmaatregelen binnen het sociaal domein ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet op preventie bij Jeugd. Dit risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2024 en de begroting 2026. | € 15.300 |
Onderwerp: Asbestsaneringen Beheersmaatregel: Er worden geen aparte beheersmaatregelen ingezet. Dit risico en risicobedrag is ongewijzigd t.o.v. de jaarrekening 2024 en de begroting 2026. | € 500 |
Onderwerp: Proeftuin aardgasvrije wijken | € 215 |
Onderwerp: Grondexploitaties Beheersmaatregel: Per grondexploitatie zijn specifieke maatregelen genomen om het beslag op het weerstandsvermogen te beperken. Dit risico en risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2024 en de begroting 2025. | € 19.160 |
Onderwerp: Uitval van kritische applicaties/systemen i.v.m. cyberaanval | € 9.500 |
Onderwerp: Wegenbeheer Naast de wegen gaat het ook om de bijbehorende bomen en overige inrichting. In de Beemster betreft dit een omvangrijk areaal. HHNK betaalt op dit moment het onderhoud van de wegen voor een deel uit de bijdragen van gemeenten en voor een deel uit de wegenheffing die het HHNK in rekening brengt bij de inwoners van de gemeenten waarvoor zij wegen in beheer en eigendom hebben. In 2025 was zowel de volledige omvang van hetgeen dat HHNK wil overgedragen als de impact/kwaliteit van de over te dragen activa (wegen, bomen en kunstwerken) nog niet volledig in beeld. In 2025 zijn er onderzoeken gestart naar de kwaliteit van de wegen en civiele kunstwerken (bruggen). De verwachting is, mede afhankelijk van de voortgang van de onderzoeken die als input dienen voor een volledige en juiste business case, dat er in 2026 voldoende inzicht is om te komen tot een bestuurlijk standpunt en advies aan college en raad. De ervaring bij andere gemeenten leert ons dat daar na overdracht is gebleken dat de kwaliteit onvoldoende in beeld is gebracht en dat deze gemeenten geconfronteerd zijn met onverwachte meerkosten, mede als gevolg van onzorgvuldig gezamenlijk onderzoek en achterstallig groot onderhoud, gebreken in funderingen en hierdoor noodzakelijke vervroegde vervangingen. In november 2025 is de gemeenteraad via een werksessie op de hoogte gebracht over de stand van zaken van de wegenoverdracht. Met de uitkomsten van deze onderzoeken zal duidelijker worden wat een eventuele overname betekent en welke onzekerheden resteren. Met HHNK zullen ten aanzien van voorwaarden van overdracht inclusief de resterende herstelwerkzaamheden, alsook over de resterende risico’s afspraken gemaakt moeten worden, voor de overdracht naar de gemeente kan plaatsvinden. Als deze afspraken en de impact in beeld zijn gebracht in de business case, kan er een besluit over genomen worden door college en raad. Overname van deze taak gaat betekenen dat er voor de inwoners een verschuiving van belastingen plaatsvindt. Dit betekent dat de gemeentelijke OZB-opbrengst omhoog moet om de kosten van deze taak te dragen. Daar staat tegenover dat de wegenheffing die het HHNK in rekening brengt bij inwoners komt te vervallen. Er is niet gerekend met een bedrag voor het onderhoudsniveau, omdat hier op dit moment nog geen adequate inschatting van kan worden gemaakt. Vanwege de omvang is dit een risico voor de gemeente. Ten aanzien van de verschuiving van de overdracht van de wegenheffing is deze gekoppeld aan de onbenutte belastingcapaciteit. Hierdoor is er voor dit onderdeel niet gerekend met een bedrag in de weerstandscapaciteit. Dit risico is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2024 en de begroting 2026. | € p.m. |
Onderwerp: Loon/prijsstijgingen Voor prijsstijgingen op de begrote materiële budgetten is het uitgangspunt dat deze binnen de bestaande budgetten worden opgevangen. Dit betekent dat de (meerjaren)budgetten niet automatisch worden aangepast aan het inflatiepercentage. Alleen waar dit noodzakelijk is verhogen wij het budget met de verwachte prijsstijging. Gezien ons gekozen uitgangspunt kunnen wij in 2026 en volgende jaren geconfronteerd worden met prijsstijgingen, waarmee niet of onvoldoende rekening is gehouden om de hieruit voortvloeiende hogere lasten op te kunnen vangen. Voor algemene prijsstijgingen wordt een bedrag van € 1,35 miljoen aangehouden (1 % van € 135,4 miljoen). Gerekend is met 2,5 keer dit structurele risico (€ 3,4 miljoen). | € 3.992 |
Onderwerp: Wachtgeld wethouders | € 528 |
Onderwerp: Renterisico | € 4.440 |
Onderwerp: Gemeentefonds
Gezien de dynamiek in het fonds wordt de maximale impact van dit risico geschat op € 13,108 miljoen over de gehele looptijd. | € 13.108 |
Onderwerp: Strategische aankopen | € 1.201 |
Onderwerp: Garanties en borgstelling | € p.m. |
Onderwerp: Fiscaliteiten | € 2.965 |
Onderwerp: Klimaatveranderingen Omschrijving: De gemeente ervaart de gevolgen van klimaatverandering. Eens in de zoveel jaar doen zich extreme wateroverlast, droogte of storm voor. Recent heeft zomerstorm Poly (juli 2023) voor hoge gemeentelijke herstelkosten ten aanzien van de bomen gezorgd. Het risico op schade in de openbare ruimte als gevolg van klimaatverandering neemt naar verwachting toe. Gezien de onzekere aard van de klimaatrisico’s is dit onderwerp opgenomen in het weerstandsvermogen waarbij als uitgangspunt is gehanteerd de herstelkosten inzake zomerstorm Poly (1,9 miljoen) vermenigvuldigd met een kans van voordoen van 10% en de structurele factor van 2,5. Beheersmaatregel: De klimaatopgave maakt integraal onderdeel uit van alle planvorming die de gemeente onderhanden heeft voor de openbare ruimte: van het gemeentelijke rioleringsplan tot de actualisatie van het IBOR. Het risicobedrag is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2024 en de begroting 2026. | € 464 |
Onderwerp: Afrekening subsidies Omschrijving: De gemeente ontvangt diverse subsidies en specifieke uitkeringen. Er zijn de afgelopen jaren diverse grote en complexe specifieke uitkeringen ontvangen maar ook diverse subsidies vanuit de Provincie. De diverse specifieke uitkeringen en subsidies worden vaak als voorschot, of deels als voorschot aan de gemeente beschikbaar gesteld. Aan de voor de gemeente beschikbaar gestelde subsidies en specifieke uitkeringen zijn bestedingsvoorwaarde verbonden. Het risico bestaat dat de gemeente niet aan alle gestelde bestedingsvoorwaarden voldoet en de verstrekkende instanties een deel van de verstrekte voorschotten terugvraagt. Daarnaast heeft het Kabinet in het hoofdlijnenakkoord voornemens om de specifieke uitkeringen deel uit te laten maken van het gemeentefonds. De exacte impact daarvan is nog niet bekend en niet meegenomen in deze berekening. Als uitgangspunt is berekend de vooruitontvangen subsidiegelden per einde boekjaar vermenigvuldigd met een kans van voordoen van 10%. Beheersmaatregelen: Per subsidietoekenning vind een startgesprek plaats zodat de uitvoerende afdeling weet waaraan zij de subsidiegelden morgen besteden en wat zij moeten verantwoorden. Het risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2024 en de begroting 2026. | € 1.829 |
Onderwerp: Regeling voor Vervroegde Uitdiensttreding (RVU) Omschrijving: Medewerkers van de overheid kunnen binnen de gemeente vanaf 31 december 2023 gebruik maken van de regeling voor vervroegde uitdiensttreding (RVU). De huidige regeling voor vervroegde uitdiensttreding (RVU) loopt tot en met 31 december 2025. Met ingang van 1 januari 2026 treedt er een nieuwe RVU regeling in werking, deze regeling is uitsluitend van toepassing op medewerkers met een zwaar beroep. De definitie van ‘zware beroepen in de gemeentelijke sector’ is tot op heden nog niet vastgesteld en medewerkers kunnen daarom nu nog geen gebruik kunnen maken van de regeling. Hierdoor is het op dit moment nog niet mogelijk om het maximale risico voor de gemeente Purmerend in te schatten. Partijen streven ernaar om de definitie op 1 april naar de gemeenten te kunnen sturen. Beheersmaatregelen: Er is geen aparte beheersmaatregel getroffen. Indien een medewerker gebruik maakt van de RVU wordt de maximale verplichting in de jaarrekening opgenomen. Het risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2024 en ongewijzigd t.o.v. de begroting 2026. | € p.m. |
Onderwerp: Behalen toekomstscenario's/ taakstellingen | € p.m. |
Totaal benodigd weerstandsvermogen: | € 78.766 |
(bedragen x € 1 miljoen) | 2023 | 2024 | 2025 |
|---|---|---|---|
Beschikbare weerstandscapaciteit | 64,8 | 64,0 | 73,4 |
Benodigd weerstandsvermogen | 61,8 | 70,4 | 78,8 |
Ratio | 1,05 | 0,91 | 0,93 |
Zowel de beschikbare weerstandscapaciteit als het benodigd weerstandsvermogen zijn de afgelopen jaren toegenomen. De weerstandsratio is daarmee nagenoeg gelijk aan 2024. De hogere beschikbare weerstandscapaciteit, met name door de algemene reserve, gaat gepaard met een hogere benodigde buffer in het licht van economische onzekerheden.
Afdekking van de risico's op de middenlange en lange termijn
Met ingang van de opstelling van de rekening 2015 zijn gemeenten verplicht een vijftal kengetallen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing op te nemen. De invoering van de betreffende kengetallen heeft louter tot doel een beter inzicht te verschaffen in de financiële positie van de gemeente, voor de vergelijking met andere gemeenten. Deze getallen dienen niet om te komen tot een normering (wat is goed, wat is slecht). Het gaat om de volgende kengetallen:
Rekening 2024 | Begroting 2025 | Rekening 2025 | Cat.A (minst risicovol) | Cat. B (neutraal) | Cat. C (meest risicovol) | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
1A | Netto schuldquote | 91,9% | 116,3% | 95,2% | < 90% | 90 - 130% | > 130% |
1B | Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle leningen | 84,9% | 111,3% | 87,7% | < 90% | 90 - 130% | > 130% |
2 | Solvabiliteitsratio | 21,1% | 17,1% | 20,4% | > 50% | 20 - 50% | < 20% |
3 | Grondexploitatie | 8,1% | 7,5% | 9,3% | < 20% | 20 - 35% | > 35% |
4 | Structurele exploitatieruimte | 2,9% | 2,1% | 5,7% | > 0% | 0% | < 0% |
5 | Belastingcapaciteit | 94,5% | 89,0% | 94,5% | < 95% | 95 - 105% | > 105% |
Voor de beoordeling van de financiële positie van gemeenten is het belangrijk dat zowel naar de balans als naar de exploitatie wordt gekeken. De kengetallen netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio en grondexploitatie hebben betrekking op de balans. De kengetallen structurele exploitatieruimte en belastingcapaciteit brengen tot uitdrukking of een gemeente over voldoende structurele baten beschikt en welke mogelijkheid de gemeente heeft om de structurele baten op korte termijn te vergroten. Hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote. De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Om inzicht te verkrijgen in hoeverre er sprake is van doorlenen wordt de netto schuldquote zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven. De solvabiliteitsratio drukt het eigen vermogen uit als percentage van het totale vermogen en geeft daarmee inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale (geraamde) baten. De relevantie van het kengetal structurele exploitatieruimte is om te weten welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. Voor de gemeenten wordt de belastingcapaciteit gerelateerd aan de hoogte van de gemiddelde woonlasten (OZB, rioolheffing en reinigingsheffing). Naast de OZB wordt tevens gekeken naar de riool- en afvalstoffenheffing omdat de heffing niet kostendekkend hoeft te zijn, maar ook lager mag worden vastgesteld (er is dan sprake van belastingcapaciteit die niet benut wordt).
Een afzonderlijk kengetal zegt nog weinig over hoe de financiële positie moet worden beoordeeld. Zo hoeft een hoge schuld geen nadelig effect te hebben op de financiële positie, maar is dat afhankelijk of en wat er aan eigen vermogen en baten tegenover die schuld staat en hoe groot de kans is dat de schuld weer wordt afgelost. Noch hoeft een tegenvallende ontwikkeling van de grondprijs een negatieve invloed te hebben indien de structurele exploitatieruimte groot is of men over voldoende ruimte in belastingcapaciteit beschikt, omdat er dan ruimte is om tegenvallers op te vangen. Het is dus, met andere woorden, niet mogelijk om een individueel kengetal te gebruiken voor de beoordeling van de financiële positie. De kengetallen zullen altijd in samenhang moeten worden bezien, omdat ze alleen gezamenlijk en in hun onderlinge verhouding een goed beeld kunnen geven van de financiële positie van de gemeente.
In oktober 2020 heeft de raad ingestemd (besluit 1529289) met het verbeteren van de solvabiliteit van Purmerend de komende jaren met als streven een solvabiliteit van 20%. De solvabiliteitsratio is het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat volgens artikel 42 van het BBV uit de reserves (zowel de algemene reserve als de bestemmingsreserves) en het resultaat uit het overzicht van baten en lasten. Het eigen vermogen 2025 is in de berekening nog wel inclusief € 1,45 miljoen gerealiseerd negatief resultaat. Hier is nog geen rekening met de resultaatbestemming 2025, waarmee de raad nog moet instemmen. De opbouw van de solvabiliteitsratio is als volgt:
Realisatie 2023 | Realisatie 2024 | Realisatie2025 | |
|---|---|---|---|
A. Eigen vermogen | 101.345 | 108.685 | 117.394 |
B. Totaal passiva | 454.428 | 521.148 | 575.896 |
Solvabiliteit (A:B) | 22,3% | 21,1% | 20,4% |
In deze jaarrekening daalt de solvabiliteit licht ten opzichte van 2024, maar blijft deze boven de grens van 20%. De daling wordt veroorzaakt door een stijgende schuldquote. In 2025 heeft de gemeente voor een recordbedrag geïnvesteerd. Door het hoge investeringsniveau in de komende jaren – met name voor de bouw van scholen en ander gemeentelijk vastgoed – zal de gemeente extra moeten lenen. Hierdoor wordt verwacht dat de schuldquote verder stijgt.